1. Lichtmeting (spotmeting versus matrix- of meervlaksmeting)

Digitale camera’s kennen allemaal meerdere manieren om het licht, benodigd voor het maken van een foto te meten. De naamgeving varieert per merk maar doorgaans varieert het van matrix-, of meervlaksmeting  tot spotmeting. De meeste cameramerken hebben nog wel één of twee extra smaken daar tussenin, maar in dit artikel beperk ik me tot de matrixmeting en de spotmeting. Daarmee bedoel ik de meting die het gehele beeld meet, en de meting die het kleinst mogelijke deel uit dat gehele deel meet.

Fabrikanten komen overigens met hele exotische namen voor deze lichtmeetmethodes. Nikon noemt de matrixmeting bijvoorbeeld 3D Color Matrix Meting. Meervlaksmeting is een andere veelgehoorde benaming in dit artikel zal ik verder steeds de term matrixmeting hanteren. Zoals de naam 3D Color Matric Meting al weergeeft, zijn deze lichtmeetsystemen in de loop der tijd behoorlijk geëvolueerd. Het is zeker niet zo dat eenvoudigweg een gemiddelde van het gehele zoekerbeeld zal worden meegenomen in de lichtmeting. Zo wordt er bijvoorbeeld meer gewicht toegekend aan voorwerpen op de voorgrond, dan voorwerpen op de achtergrond, en zijn sommige camera’s in staat om meer gewicht aan gezichten toe te kennen. Met mensen op de foto is dat immers toch vaak het gene waar het om draait. In ieder geval zal aan het gehele beeld (met al dan niet meer gewicht toegekend aan sommige delen in het zoekerbeeld) aan de “middengrijs” lichtintensiteit worden toegekend. De camera “weet” immers niet of hij iets lichts, of iets donkers op de foto gaat zetten (denk aan de oefeningen met het zwarte en het witte doek). Wil je dan ook bijvoorbeeld een acteur in een theater met een donkere achtergrond fotograferen, dan zal je (fors) moeten onderbelichten omdat anders de achtergrond naar het grijs wordt getrokken en de acteur overbelicht op de foto zal verschijnen. Tenminste, dat is het geval als je matrixmeting gebruikt.

Het andere uiterste is spotmeting. Bij een Nikon D750 wordt bijvoorbeeld bij spotmeting maar 1,5% van het totale zoekerbeeld gebruikt om de belichting op te meten. “Vroeger” was dat altijd het centrale deel in de zoeker. Dat is tegenwoordig (bijna) altijd niet meer het geval. Welk deel het dan wel is, leg ik verderop in dit artikel uit. Nu zijn er veel mensen die menen dat je dan ook altijd spotmeting zou moeten gebruiken “omdat je dan het licht meet op de plekken waar je het licht wilt meten” en dan niet met belichtingscompensatie zou hoeven te werken. Dat is maar ten dele waar. Doe dezelfde oefening met een volledig wit onderwerp (doek, muur) nog maar eens met spotmeting, en je zal zien dat ook nu de muur weer grijs wordt. En ook het fotograferen van iets volledig zwarts zal een foto opleveren die volledig grijs is. En dat kan zelfs in die mate gebeuren dat (bijna) niet meer te zien is of je iets volledig wits, of iets volledig zwarts heb. Je moet er ook bij spotmeting dus goed van bewust zijn of datgene waarop je de belichting meet wellicht donkerder of lichter is dan middengrijs, en zondig de belichting daarop aanpassen.

Bij mensen met een blanke huidskleur, komt de kleur van het gezicht (eigenlijk moet ik zeggen “de lichtintensteit van het gezicht”) redelijk overeen met middengrijs. Door de belichting te meten met spotmeting op het gezicht van de acteur in bovenstaande voorbeeld, zal je dan ook (zonder te moeten compenseren) een beter belichte foto krijgen dan bij het gebruik van matrixmeting zonder belichtingscompensatie. Uiteraard is dat dan wel afhankelijk van de huidtint van die acteur. Natuurfotografen die hun matrixmeting niet vertrouwen maken wel eens op een vergelijkbare manier van dit fenomeen gebruik door de belichting op de rug van hun hand te meten en die instellingen te gebruiken voor de rest van hun foto’s.

In onderstaand voorbeeld is met behulp van spotmeting op het gezicht de belichting gemeten, waardoor er geen belichtingscompensatie hoefde te worden gebruikt. In verband met de privacy is de foto verder wel dusdanig bewerkt dat de jongeman onherkenbaar in beeld staat.

2. Scherpstelpunt of scherpstelpunten

Digitale camera’s beschikken tegenwoordig over vele scherpstelpunten, waaruit de camera zelf automatisch de “juiste” kan kiezen. Ook hier wordt weer voorrang gegeven aan voorwerpen op de voorgrond, en ook hier zijn sommige camera’s in staat gezichten te herkennen. Moderne systeemcamera’s kunnen zelfs een oog herkennen en dat volgen. Maar wat nou, als je dat niet wilt? Wat nou als je nu toevallig niet geïnteresseerd bent in de vrouw die bij de groentekraam op de markt staat, maar juist in de groenteboer die achter de kraam zijn waar staat aan te prijzen?

In een dergelijk geval kan je je camera beter zelf vertellen welk scherpstelpunt hij moet gebruiken. En ook hier kan vaak weer gekozen worden hoe dat precies in zijn werk gaat. Nikon kent naast de gebruikelijke automatische selectie stand (waarbij de camera dus zelf kiest welk scherpstelpunt er gebruikt zal worden) bijvoorbeeld “Dynamisch” (waarbij er wel degelijk zelf uit een scherpstelpunt gekozen kan worden, met een aantal, vaak 9, 21 of 51, omringende punten als fallback scenario voor het geval de camera even niet meer in staat is het gekozen scherpstelpunt te gebruiken), “Groep”, waarbij gebruik gemaakt wordt van een beperkt aantal bij elkaar gelegen punten waarbij de camera zelf één van die punten zal kiezen, en “3D”, waarbij de camera zal proberen het geselecteerd punt te volgen zodra de compositie verandert.

De grootste “beperking” leg je de camera echter op door zelf één scherpstelpunt te selecteren en te gebruiken. Wanneer je beter voor dynamisch of groep kan kiezen staat goed beschreven in de handleiding van de camera. Zelf gebruik ik “single point” vooral voor niet al te bewegelijke onderwerpen zoals landschap, of portretfotografie, waarop ik (in dat laatste geval) scherpstel op het oog van het model dat zich het dichtst bij de camera bevindt.

Door dit te doen weet je zeker dat de camera scherpstelt op dat punt in de compositie die je met zo groot mogelijke zekerheid ook scherp op de foto wilt krijgen. Bedenk daarbij wel dat dat scherpstellen geen tovermiddel is. Een camera zal om scherp te kunnen stellen altijd enig contrast in het scherpstelgebied moeten hebben.

Overigens is een veelgebruikte techniek “focus en recompose” een techniek die veelal van singel point focus gebruik maakt niet altijd de beste oplossing. Sterker nog: bij gebruik van “snelle lenzen” en een grote lensopening is het meestal een slechte oplossing, zoals ik dit artikel uitleg.

3. Spotmeting én het gebruik van één enkel scherpstelpunt

Tot op zeker hoogte staan lichtmeting en het gebruik van één of meerdere scherpstelpunten los van elkaar. Het is mogelijk matrixmeting te gebruiken en toch gebruik van één enkel scherpstelpunt te gebruiken. Of het ook mogelijk is spotmeting te gebruiken, en toch de camera te laten kiezen voor een scherpstelpunt is minder voor de hand liggend. Dat zal afhankelijk zijn van de mogelijkheden van de camera.

Echter, bij vrijwel iedere digitale camera zal het mogelijk zijn single point focus te combineren met spotmeting. En dat is in situaties die zich daartoe lenen ideaal. Zo is in de foto hierboven niet alleen gebruik gemaakt van single point focus, maar ook van spotmeting. Overigens is dit niet helemaal de waarheid omdat ik voor “Dynamisch 9” had gekozen. Maar ook in dat geval zal de belichting worden gemeten op het zelf geselecteerde scherpstelpunt.

4. Histogram

Het histogram zoals dat kan worden weergegeven op je camera kan bij het maken van een foto waardevolle informatie verschaffen. Ook in fotonabewerking kan het een erg handig hulpmiddel zijn. Toch zorgt het regelmatig voor verwarring. Niet zelden wordt gedacht (en beweerd) dat de piek van de grafiek in het midden moet liggen, maar dat klopt niet. Daarom is het handig eerst even stil te staan bij wat het histogram nu precies is.

In bovenstaande afbeelding is een histogram te zien. In dit voorbeeld een histogram in Lightroom. Het is het histogram zoals dat behoort bij de (bewerkte) foto helemaal bovenaan dit bericht. Het histogram is een grafische weergave van de verdeling van donkere en lichte tinten (vereenvoudigd). Aan de linkerkant in de grafiek is af te lezen hoeveel donkere tinten in de afbeelding aanwezig zijn, terwijl aan de rechterkant juist weergegeven wordt hoeveel lichte tinten de afbeelding bevat.

Heeft een afbeelding veel donkere tinten, dan zal de linkerkant van de grafiek hogere pieken laten zien. Heeft een foto veel lichte tinten (zoals de afbeelding bovenaan dit bericht, waar het histogram hierboven op is , dan zal juist de rechterkant van de grafiek hoger uitkomen. Hoe de grafiek er uit komt te zien is dus helemaal afhankelijk van wat er op de foto te zien is. Kijk maar eens naar onderstaande foto afkomstig uit een basisworkshop van enkele jaren geleden.

Op de foto is een wit doek, en een zwart doek te zien. Niet meer, en niet minder. Het witte deel is (uiteraard) licht en het zwarte deel donker. Dit is in onderstaand histogram (wederom afkomstig uit Lightroom) goed te zien.

In het histogram is goed af te lezen dat er de nodige donkere (links in de grafiek), en de nodige lichte tinten (rechts in de grafiek) in de foto aanwezig zijn. Helemaal geen piek in het midden dus.

Voordat ik verder ga, eerst nog even iets over de camera en het histogram. Op een camera is deze namelijk (bijna) altijd ná het maken van de foto te bekijken. Hoe je dat kan doen is uiteraard afhankelijk van je camera. In de handleiding van je camera staat beschreven hoe je dat bij het terugkijken van de foto’s tevoorschijn kan worden gehaald. Bij Nikon is het vaak een kwestie van het omhoog of omlaag duwen van de multiselector, bij andere merken is het “disp”-knopje daar vaak verantwoordelijk voor. Overigens moet bij een Nikon camera dan wel eerst via de weergaveopties in het menu worden aangegeven wélke weergaves je op die manier kan doorlopen. De meeste systeemcamera’s en sommige spiegelreflexcamera’s zijn echter ook in staat om vóórdat de foto wordt gemaakt een histogram te tonen. Voor een dslr zal dan in ieder geval liveview gebruikt moeten worden. Als je camera dat kan, dan kan het dus handig zijn om vooraf naar het histogram te kijken.

Wat kan je er dan mee, als je vooraf naar het histogram kijkt? Welnu, als er aan de linker- en/of rechterkant in de grafiek geen ruimte meer over is, bestaat de kans dat er delen van de foto zo donker, respectievelijk licht zijn, dat ook in de nabewerking geen mogelijkheid meer is dat te corrigeren. “Volgelopen” zwart blijft dan zwart en “uitgebeten” wit, blijft dan wit. Als je goed kijkt naar bovenstaande histogram zie je dat het “dynamisch bereik” van de foto bovenaan dit bericht volledig benut wordt zonder dat “clipping” in de donkere of lichte delen plaats vindt. Of wiskundig gezegd De waarde op y as, is zowel links als rechts 0; er zijn geen te donkere en er zijn geen te lichte delen in de foto aanwezig. Uiteraard is de kwestie “smaak” hierin niet meegenomen.

Zie je ná het maken van je foto op het histogram dat er sprake kan zijn volgelopen zwart, of uitgebeten wit, dan kan je er voor kiezen nogmaals zo’n foto te maken met aangepaste belichtingsinstellingen, of je probeert dit in de nabewerking alsnog op te lossen. Of je daarin zal slagen is onder andere afhankelijk van je camera (lees bijvoorbeeld dit artikel over “ISO-invariantie”), en de vraag of je in raw of in jpeg fotografeert. In raw is de speelruimte groter. In jpeg is die eigenlijk niet (of in het gunstigste geval zeer beperkt) aanwezig.

 

5. Grijsfilter

Met een grijsfilter zorg je er voor dat er minder licht door de lens komt, waardoor er ook minder licht op de sensor valt. Dat lijkt heel onlogisch. Meestal zoek je als fotograaf juist naar licht. Toch zijn er situaties waarin je wilt dat er (per tijdseenheid) minder licht door de lens op de sensor valt. Denk bijvoorbeeld aan:

  1. Een opname waarbij je bewust de sensor lang wilt belichten, zoals de foto bovenaan dit bericht. Bij die opname is maar liefst 30 seconden belicht. Je bereikt hiermee dat golven in het water verdwijnen, en wolken wazig worden doordat ze als het ware door het beeld gaan zweven. Een ander effect dat hiermee kunnen worden bereikt is het maken van een foto van een gebouw waar eigenlijk altijd mensen naar staan te kijken. Stel je voor dat je een foto van een gebouw 10 minuten lang belicht. Mensen die er voor hebben staan te kijken, doen dat zelden langer dan enkele seconden. Grote kans dus, dat de mensen in het geheel niet meer zichtbaar zullen zijn op de foto.;
  2. Het gebruik van een grote lensopening (van bijvoorbeeld f/1.4 of f/1.8) bij daglicht. Als het heel licht is, is je camera wellicht anders niet eens in staat om bij de laagste bruikbare ISO-waarde, en de kortste sluitertijd een correct belichte foto te maken met de lens zo ver geopend. Het resultaat zal dan anders een overbelichte foto zijn. Door een grijsfilter te gebruiken, houd je als het ware het teveel aan licht tegen.;
  3. Flitsfotografie bij daglicht, bij flitsers die geen HSS (high speed sync) ondersteunen. Ik ga daar in dit artikel niet verder op in.

Grijsfilters zijn er niet alleen in verschillende vormen (ronde opschroeffilters in verschillende filtermaten, versus inschuiffilters). Ze zijn er ook in verschillende sterktes, uitgedrukt in stops. Onthoud dat iedere stop een halvering is van de hoeveelheid licht die een filter tegenhoudt. Een filter van 1 stop, houdt 50% licht en laat (belangrijker) nog maar de helft van het licht door. Een filter van 2 stops laat vervolgens daarvan nog maar de helft door, een filter van 2 stops vervolgens daar nog maar de helft van. Enzovoort, enzovoort.

 Zoals voor veel dingen in de fotografie verschilt de kwaliteit van diverse grijsfilters onderling behoorlijk. Ook dat klinkt niet logisch. Het houdt immers alleen maar licht tegen.  Toch is het duurste grijsfilter wellicht wel 10 keer zo duur dan het goedkoopste. Zonder nu direct te willen stellen dat de kwaliteit per definitie hoger is, naarmate het filter duurder is, zal het echter wel zo zijn dat de duurdere grijsfilters beter in staat zijn een foto zonder “kleurzweem” te produceren. Die kleurzweem ontstaat wanneer het grijsfilter niet alle kleuren licht in even grote mate tegenhoudt.

Naast de grijsfilters die een vast aantal stops licht tegenhouden zijn er ook nog de zogenaamde variabele grijsfilters. Daarbij is de mate waarin het licht tegen wordt gehouden variabel, bijvoorbeeld van 1 tot 6 stops, of van 1 tot 10 stops. Dat klinkt ideaal, maar is het niet (altijd). Variabele grijsfilters werken allemaal door twee filters ten opzichte van elkaar te draaien. Iedereen die wel eens twee Polaroid zonnebrillen tegen elkaar heeft gehouden, en vervolgens de glazen van één van die brillen rond heeft gedraaid, heeft kunnen zien dat er dan minder licht doorgelaten wordt, tot er op zeker moment bijna geen licht meer doorgelaten wordt. Variabele grijsfilters werken volgens dat principe. En de kwaliteit kan daardoor enorm verschillen. Het grootste voordeel is dat je op een relatief voordelige wijze over meerdere grijsfilters in-één beschikt. Het nadeel kan zijn dat er meer kleurzweem optreedt dan bij de (betere) grijsfilters.

6. Grijsverloopfilter

Eén van de “problemen” waar je als fotograaf (met name bij landschapsfotografie) tegenaan kunt lopen, is het enorme contrast van het voorwerp dat je wilt fotograferen, en de lucht op de achtergrond. Zonder maatregelen loop je het risico dat je voorwerp weliswaar goed belicht is, en de achtergrond “uitgebeten”. Dat probleem is groter als je (alleen) in jpeg fotografeert, dan dat je in raw fotografeert. Bij een raw opname is er in de nabewerking meer speelruimte. Maar dat betekent dus ook dat je altijd met nabewerking zal moeten werken. Wil je dat niet, of ga je liever uit van het principe dat “hoe beter de inputkwaliteit, hoe beter het eindresultaat” is, dan kan een grijsverloopfilter goede diensten bewijzen.

Bovenstaande foto is (speciaal voor dit doel) gemaakt tijdens de workshop in Appingedam.
Op de foto is te zien dat de lucht op plekken behoorlijk uitgebeten is. In Lightroom is dan ook te zien dat op een aantal plekken is overbelicht. Omdat ik de foto maakte in raw, is dat tot op zekere hoogte nog goed corrigeerbaar (wat ik overigens in dit geval niet heb gedaan omdat de lucht weliswaar erg helder, maar ook mateloos saai was).

Een alternatieve werkwijze had kunnen zijn gebruik te maken van een grijsverloopfilter. Een grijsverloopfilter doet precies hetzelfde al een grijsfilter (licht tegen houden), maar doet dat niet op het hele beeld, maar op een deel daarvan. Wélk deel, is afhankelijk van het filter. Bij een grijsverloopfilter zal een deel van het filter volledig doorzichtig zijn, en een deel donker. Hoe donker wordt bepaald door het aantal stops dat een filter (in het donkere gedeelte) tegenhoudt. De overgang van het het heldere naar het donkere deel kan vrij abrupt zijn (hard-grads), maar kan ook vrij subtiel verlopen (soft-grads). Beschik je over een redelijk strakke horizon, dan is een hard-grad goed bruikbaar, bij minder strakke horizons (in berglandschappen bijvoorbeeld) verdient een soft-grad wellicht de voorkeur. Vaak is het een persoonlijke voorkeur.

Het meest bruikbare filter (naar mijn mening) zijn de insteekfilters. Met een insteekfilter kan je namelijk eerst je compositie bepalen, en vervolgens het filter in de filterhouder schuiven, tot in de zoeker (of liever nog op het liveviewbeeld) het effect van het filter zichtbaar is. Overigens werk ik zelf altijd met een statief als ik gebruik maar van grijs(verloop)filters, maar dat is een persoonlijke voorkeur.

Bij de foto van de huizen aan de Reitdiephaven (helemaal boven aan dit artikel), heb ik naast een 10-stops grijsfilter ook gebruik gemaakt van een 3 stops hard-grad grijsverloopfilter. Door dat grijsverloopfilter is er een betere balans in de lichtintensiteit van de lucht, en de rest van de foto ontstaan.

7. Bracketing

Er zijn meerdere soorten bracketing, maar in dit artikel richt ik mij op de meest gebruikte vorm: belichtingsbracketing.

Bij belichtingsbracketing maakt je camera meerdere foto’s (bijvoorbeeld 3), waarbij één foto “correct” belicht is (volgens de camera), één foto onderbelicht, en één foto overbelicht. Bij een aantal camera’s is het aantal foto’s instelbaar (naar 3, 5, 7 of 9), maar bij andere camera’s is die mogelijkheid er niet, en worden er altijd 3 foto’s gemaakt bij bracketing. De mate waarin onder- en overbelicht wordt is doorgaans instelbaar in stappen van 1/3e stop. Stel je dat in op 1 stop, dan is de onderbelichte foto 1 stop onderbelicht, en de overbelicht foto 1 stop overbelicht.

Belichtingsbracketing is uiteraard ook altijd mogelijk door dat volledig handmatig te doen door meerdere foto’s te maken, waarbij steeds wat meer onderbelicht en overbelicht wordt.

Het nut van belichtingsbracketing is wat weggezakt. In het analoge tijdperk werd het wel toegepast om er min of meer zeker van te zijn dat een belangijke foto (de eerste kus bij een bruiloft) goed belicht op de foto kwam. Met digitale fotografie is het meestal veel makkelijker om delen van een foto op te lichten dan wel donkerder te maken. Zo kan je met Lightroom de totale belichting aanpassen, maar ook er voor kiezen om (van donker naar licht) de zwarte tinten, de schaduwen, de hooglichten, en witte de tinten afzonderlijk donkerder of lichter te maken. En ook hier geldt weer: de speelruimte bij fotograferen in raw zijn groter dan die van jpeg. En ook hier geldt weer: hoe beter de kwaliteit van de input, hoe beter de kwaliteit van het resultaat. Juist daarom kan bracketing er voor zorgen dat je de beste foto uit de serie kan gebruiken om te bewerken.

 Hieronder staan 3 foto’s, 1 correct belicht, 1 onderbelicht (2 stops) en 1 overbelicht (2 stops).

Als ik één van de foto’s zou willen nabewerken, kan ik die foto pakken die voor dat doel het meest geschikt is. In dit geval zou dat waarschijnlijk de “correct” belichte foto zijn. Maar zou ik meer belang hechten aan de lucht (waar steeds meer bewolking in terug te vinden was gedurende de ochtend), dan had ik wellicht beter voor de onderbelichte foto de 2e uit de serie) kunnen kiezen.

8. HDR

HDR staat voor High Dynamic Range. Een camera is in staat een bepaald dynamische bereik (zeg maar het donkerste dat een camera gelijktijdig met het lichtste vast kan leggen) op de foto te zetten. Dat dynamisch bereik is in de loop der jaren steeds breder geworden. Zoals je bij de foto’s bij bracketing kan zien, is dat in het resultaat niet altijd zichtbaar. Bij de correct belichte foto, zijn de wolken bijvoorbeeld amper te zien, en lijkt de lucht overbelicht, terwijl op de correct belichte foto details die zich in donkere delen bevinden amper te zien zijn. Met nabewerking is dat tot op zeker hoogte nog steeds goed te compenseren. Ook hier geldt weer dat de speelruimte in raw groter is dan in jpeg.

Er is echter nog een manier om tot een fraaier resultaat te komen: een hdr foto maken. Let op: “fraaier” is natuurlijk subjectief.

Sommige camera’s kunnen een hdr foto “in de camera” maken. De foto hieronder is gemaakt met behulp van Lightroom, en de drie bovenstaande foto’s.

Wat van belang is, als je op deze manier een HDR afbeelding wilt maken, is dat de belichting bij voorkeur is gewijzigd door de de sluitertijd te variëren. Zou je met een wisselend diafragma hebben gewerkt, dan heb je immers foto’s met een verschillende scherptediepte gekregen. Dit is geen wetmatigheid overigens.

Bracketing én HDR

Kort samengevat hebben bracketing en HDR niet eens met elkaar te maken, maar in de praktijk worden ze (zeker in de tijd van digitale fotografie) gecombineerd gebruikt.

Nadat ik de drie bovenstaande foto’s in Lightroom heb samengevoegd, is onderstaande foto het resultaat geworden.